Je leven uit handen geven

Ze bewegen nog wat onwennig, mijn ouders in hun nieuwe appartementje. Het is een kamer met keuken er in, een gang, een slaapkamer en een balkon waar mijn moeder met haar rolstoel niet op kan. Het is niet groot en bijna in 1 keer te overzien. Mijn zus zet thee in het zorgvuldig uitgezochte servies dat nog wel mee moest. De rest van het vele keukengerei is weggedaan: er wordt hier voor ze gekookt.

Mijn moeder heeft haar mooiste blouse aan omdat het Pasen is. “Hij is veel te groot nu,” moppert ze een beetje wanneer ik zeg dat het een mooie blouse is. Ze is erg afgevallen.

Mijn vader laat mij zijn nieuwe laptop en printer zien. “Ik wil hier nog een ander bureau hebben. Dit bureau is veel te klein, daar kunnen al mijn spullen van de computer niet in.” Hij wijst naar het kleine bureautje. Het is inderdaad niet groot, maar ik zie mijn zus achter hem met haar ogen rollen naar mij toe…

Ik weet waarom, ik heb gehoord wat voor gedoe mijn twee het dichtstbij wonende zussen hebben gehad met de verhuizing van mijn ouders. De grilligheid van mijn vader over wat wel en dan weer niet zo en zo moest staan, de “toch-zoveel-mogelijk-mee-willen-nemen-en-niets-kunnen-weggooien”-drang terwijl het huisje amper een vierde is van wat ze hadden en mijn moeder ook nog eens in een rolstoel overal tussendoor moet kunnen… Mijn moeder die wel een droger mee wilde nemen, terwijl ze nooit meer hoeft te wassen hier, met het argument: “Ik wil zelf handwasjes kunnen doen met mijn mooiste kleren”. En dat dan met haar ene, niet verlamde, hand. Je ouders van een groot huis naar een verzorgingshuis verkassen: mijn zussen werden er haast hyper van.

En dat kan ik me helemaal indenken. Maar ik begrijp ook dat het weggooien van spullen die je je hele leven lang hebt verzameld, het afstand moeten doen van je hobby’s, het migreren naar een veel kleinere plek en beseffen dat dit hoogstwaarschijnlijk je laatste verblijfplaats is, het uit handen geven van je zelfstandigheid zoals je eigen was doen en zelf bepalen hoe je je leven inricht… Dat is niets niks voor mensen van bijna 90, die een half jaar daarvoor nog alles zelf deden in hun eigen huis. Misschien confronteert dit wonen in een verzorgingshuis mijn moeder nog wel meer met haar verlamming dan het revalidatiecentrum.

Ik krijg er een melancholisch gevoel van, die twee daar zo te zien scharrelen in de krappe ruimte waarbij ze beiden bijna krampachtig hun best doen er hun huis van te maken. Misschien zijn ze nog een aantal jaren gelukkig met z’n tweetjes hier, dat zou mooi zijn. En tegelijkertijd heeft het iets triests, mijn moeder in de rolstoel en mijn vader die een gangkast heeft waar nog een miniem gedeelte staat van de duizenden boeken die hij door de jaren heen had verzameld.

(Herschreven van blog met zelfde titel, Pasen 2007, ze hebben er nog dik twee jaar met z’n beiden gewoon, mijn moeder overleed in juli 2009).

 

 

Wat denken ze wel, het is toch maar een oud mens? (bewerkte herposting)

We praten nu anders. Omdat zij en ik nu alleen zijn. Heb ik haar, toen ze nog thuis was, ooit op deze manier alleen gesproken? Ik kan het me niet herinneren. Nu is ze anders, meer een ‘eigen’ iemand, zo zonder mijn vader. Ze zegt dat ze geestelijk niet veranderd is, want dat zie je soms ook bij mensen na een beroerte.

“Daar was je vader wel bang voor,” vervolgt ze, “maar hij zei laatst nog tegen de dokter: Ik ben blij dat ze gewoon zichzelf is gebleven.” Ik vertel haar dat de vader van een vriendin, die ook een beroerte heeft gehad, wel erg van karakter veranderd  is: hij is heel emotioneel en hij huilt veel. Daar komt dan nog eens bij dat hij zijn tranen niet meer tegen kan houden omdat hij geen spierbeheersing meer over zijn ogen heeft. Waardoor zijn gevoeligheid nog meer zichtbaar is.

“Maar,” begin ik aarzelend, om een opening te maken, “is een beroerte niet sowieso iets heel aangrijpends? Je hebt opeens een lichaam dat het voor de helft niet meer doet.  Je kunt bijna niets meer… daar word je toch heel emotioneel van?”  Want ik wil het horen. Horen hoe zij zich voelt. Want mijn moeder laat nooit veel van haar gemoedstoestand zien. En nu wil ik haar leren kennen. Toch praat ik in het algemeen, ik zeg “je”. Als het over haar zou gaan, als het een vraag direct aan haar was, zou ik “u” gezegd hebben, maar ik spreek haar niet rechtstreeks aan over wat er in haar omgaat na haar beroerte.

“Ik heb gehuild met je vader toen ze, de mensen van het ziekenhuis, zeiden dat ik niet meer naar huis zou kunnen,” bekent ze dan. “Dat vond ik zo raar,” reageer ik “dat ze toen dat al na een week zeiden! U lag er nog maar een week en toen begonnen ze er al over dat wij, en vooral vader, er rekening mee moesten houden dat u wel eens niet meer thuis zou kunnen komen. Het was een erg snelle conclusie vond ik, maar ook cru om het zo te stellen. Het was nogal een mededeling!”

“Toen ik later hoorde dat het een te vroege conclusie was, was ik niet verdrietig, maar werd ik kwaad,” zegt ze dan opeens vol strijdlust. Zo ken ik haar weer. “Ik dacht bij mezelf: waarom zeggen ze dat zo gemakkelijk!? Wat denken ze dan: het is toch maar een oud mens!?”

Ze verwoordt precies wat ik ook denk: dat soms oude mensen niet meer gezien worden als mensen met een eigen leven. Mensen die kunnen genieten, met gelukkige momenten, met plezier, met pijn, met een naaste in hun leven. Want dat heeft mijn moeder nog: mijn vader. Ook al is ze 87, ze heeft de liefde nog in haar leven. En ze is een mens met nog heel veel om voor te leven. En niet iemand aan het eind van een leven die niets meer heeft om naar uit te kijken. Dat zou je gemakkelijk kunnen denken van oudere mensen. Gehandicapt, in een rolstoel, in een ziekenhuis of verpleeghuis, afhankelijk, krom, gerimpeld misschien. Er komt niemand meer op bezoek, alle dagen zijn hetzelfde. Wat maakt het uit of het dan het ziekenhuis of het verpleeghuis is voor het beleven van het einde dat onherroepelijk niet lang meer op zich laat wachten?

Ik ben trots op haar. Ze is ook nog steeds weerbaar en dat pittige ken ik van vroeger.

Ja, ze is nog dezelfde, ondanks haar verlamde rechterkant.  

(geschreven op 28 november 2006, enigzins bewerkt)

Copycat, 2

Mickey is – heel politiek actueel - aan het gedogen. Hij tolereert zijn soortgenoot in huis, maar hij moet niet te dichtbij komen. Dan blaast hij en maakt zijn staart dik. We laten onze zwartglanzende gast even wat brokjes verknauwen om hem dan achter het huis uit te laten.

Ik zie in mijn mail dat de opsteller van de oproep van de vermiste kat niet heeft gereageerd. Amivedi ook niet.

Wat nu te doen? We besluiten we dat we door de wijk gaan lopen met de bedoeling dat de kat dan, net als hij vannacht deed, ons zal volgen. We gaan dan naar de straat die genoemd wordt in het berichtje van de vermiste kat. Als hij daar thuishoort, zal hij dat ruiken en daar blijven, is mijn theorie, die G. geloofwaardig genoeg acht om het uit te willen proberen. We weten geen huisnummer dus we zullen de hele straat door lopen. Het is aardig weer dus meteen een mooi wandelingetje.

We gaan het huis uit. De kat pikt onze bedoeling als een snelle leerling op en maakt een sprint van achter het huis naar de voorkant waar wij zijn. Hij houdt niet van gewoon rechtdoor over de stoep lopen, dat vindt hij saai. Hij maakt grillige cirkels door voortuintjes, gaat af en toe over de rand van de stoep, snuffelt hier en daar aan, om dan weer opeens voor ons uit te komen rennen met een vrolijk begroetingsgeluidje: “Mmmwu-urr!”. Ik vertaal het: “Ik ben er nog hoor!”  Hij maakt daarbij sprongetjes als een pasgeboren kalfje. Na een poosje komen we bij de bewuste straat.

Onze vriend blijft ons echter gewoon blijmoedig stalken. Ik vraag aan een jongen en een meisje die met een bal op een veldje spelen of ze iemand kennen in hun straat die een kat mist. Nee, dat is niet bij hun bekend. “Wat een lieverd,” roept het meisje, terwijl ze hem aait,  ”maar deze straat is nog lang hoor, hij loopt nog helemaal door tot daar.” Ze wijst. G. en ik besluiten dan de hele straat maar uit te lopen. Op de hoek aangekomen, waar de straat nu toch echt ophoudt, zegt G. opeens: “Heee… hij is weg!”.  We kijken en kijken. We verwachten dat hij elk moment weer met zijn zangerig miaauwtje opeens weer voor ons uit zal dartelen, maar dat gebeurt niet. We lopen een eindje terug. Nee, hij heeft kennelijk zijn stal geroken, nergens te bekennen. G. en ik zijn blij voor hem.

Bijna een week later hangt er een A4-tje in het winkelcentrum. Er staat een foto op van een kat die ik meteen herken. Het is onze nachtelijke meeloper. Weg sinds die nacht dat hij met ons meeliep. De melding is van recente datum. Oei… hij is dus kennelijk toch niet op zijn plek terechtgekomen?

Ik bel het nummer. Een vrouw neemt op. De kat is dan net die dag al weer terecht. Ik geef nog wel aan haar door waar G. en ik de kat die zondag hebben achtergelaten. “Dat klopt. Daar hebben we hem ook gevonden,” vertelt de vrouw, “hij was daar al die tijd bij mensen in huis geweest.”

Okay, ons zwartblinkende vriendje was dus niet op zijn honk. Maar heeft wel goed voor zichzelf gezorgd door weer mensen te vinden die hem onderdak en eten gaven. Om uiteindelijk weer door zijn baasje gevonden te worden. Niet helemaal volgens onze opzet die zondag… Wel wat misleidend voor ons dat hij precies in de straat waar wij dachten dat hij woonde, een nieuw tijdelijk onderkomen uitzocht. Gek dat hij erg op de vermiste kat leek en ook zijn straat daarvoor uitkoos.

Copycat, 1

Hij komt luid miauwend op ons aflopen. Een mooie kat met een glanzend zwart velletje. Hij maakt de indruk alsof hij de weg kwijt is en om hulp vraagt.

Het is midden in de nacht. G. en ik zijn net uit een taxi gestapt bij het winkelcentrum in mijn wijk. We zijn uit geweest en wilden het laatste stukje naar mijn huis gaan lopen. Maar voordat we aan die wandeling konden beginnen kwam dit klagende beroep op ons medeleven ons al tegemoet.

G. tilt hem op en hij laat luid spinnend merken dat hij dat op prijs stelt. “Een zwart vachtje met alleen een wit puntje op zijn befje,” herinner ik me een flard van een oproep over een vermiste kat op buurtberichten. “Dit kon wel eens een kat zijn die wordt gemist,” suggereer ik. “Meenemen!” beslist G. meteen kordaat. “Ik weet het niet zeker,” aarzel ik, “er was iets met een bandje…”. Ik kan me niet meer de gehele tekst van het bericht voor de geest halen.

“Een rood bandje?” vraagt G. Ik meen me zoiets te herinneren. “Dan kan het immers niet missen! We nemen hem mee!” G. wijst naar het rode bandje en wordt steeds vastberadener. ”Maar we kunnen toch niet zomaar een vreemde kat mee naar huis nemen? Stel dat het hem niet is… en Mickey zal hem ook niet dulden. En dan moet ie buiten blijven en dan blijft ie miauwen en houdt hij ons de hele nacht uit onze slaap, of we moeten nu midden in de nacht gaan bellen en…”

G. vindt mijn bezwaren duidelijk van erg ondergeschikt belang gezien het Allesoverstijgende Levensbelang dat hier in het geding is van een vermist huisdier: “Je laat hem toch niet verrekken? Je zou het toch zelf ook heel fijn vinden wanneer iemand jouw kat terugbrengt als je hem mist, ook al is het midden in de nacht?” Tegen zoveel dierenliefde van iemand die mijn schattige grijswitwolletje Mickey vaak aanduidt met “die verwende rotkat” heb ik weinig in te brengen, maar ik twijfel. Ik kan toch ook morgen bellen met de mededeling dat ik hem waarschijnlijk gesignaleerd heb, daar en daar? Het vriest niet en de kat is komt niet direct van de honger om, hij ziet er goed uit. 

Het zwarte satijntje vindt onze discussie te lang duren en neemt zelf een besluit: jullie zijn mijn redders. Hij loopt al mee terwijl we nog overleggen.  En blijft ons nauwgezet achtervolgen. Hij laat zich niet om (huizen en) tuinen leiden en verliest ons geen moment uit het oog.  Bij mijn huis aangekomen ga ik naar boven om op de computer het bericht op te zoeken en G. gaat met zijdezwartje voor mijn huis zitten.

“Een roze bandje met nepdiamantjes,” staat er in het bewuste tekstje dat ik die ochtend had gelezen. Aha, dat was het! Roze… rood, dat zou nog een kwestie van interpretatie kunnen zijn, zeker als het door een man is gedefinieerd. Maar nepdiamantjes? Ik check het bij G., buiten. Nee, er zijn met de beste wil van de wereld geen diamantjes of andere uitstulpjes op het gladde, rode bandje te ontdekken. “Maar verder voldoet hij wel aan alle criteria!” houdt G. vol. Ik bel Amivedi, want het is toch hoe dan ook een gevonden kat. Er wordt verwezen op het antwoordapparaat naar de dierenambulance. Dat is nou ook weer niet nodig, besluit ik en zoek toch nog naar het adres van de oproeper van de diamantkat. Het bandje kan verwisseld zijn… de diamantjes er afgegaan tijdens de zwerfperiode? Ik vind alleen een straat die bij mij in de wijk is. Geen telefoonnummer. En ik vind een mailadres. Ik mail.

We concluderen dat onze burgerplicht hier even ophoudt. “We gaan slapen”.

De volgende ochtend, of liever gezegd het is al bijna middag, staat G. als eerste op. Hij komt al snel weer boven. “De kat is er nog. hij zit nu achter het huis.”

Lijstje

Telefoon op zondagochtend.

“Jagoeie,”  is zijn groet, met de “ja” en de Friese groet aanelkaar uitgesproken. De toon van het woord geeft aan dat er een vervolg komt. Mijn vader. Ik groet terug, afwachtend. Wat doet hem bellen? Hij belt meestal met een boodschap of een vraag. “Ik wou eens even weten: hoe IS het met jou?” Er ligt een dermate nadruk op het woordje ‘is’ dat het me begint te dagen. Hij denkt dat ik de ingreep al gehad heb. Vast. Voor de zekerheid vraag ik: “Hoezo?”

“Nou, eh… Hoe is het gegaan?”  “U bedoelt de operatie?” “Ja. En?”

“Die heb ik morgen pas.” “Wat zei je, dat moet nog?” “Ja, morgen.”

“Oh… ,” klinkt het wat verbaasd en dan nog een heel resoluut “oh”  waaruit blijkt dat hij dit feit accepteert. “Dan bel ik je morgenavond wel even.”"

“Okay. Maar hoe is het met u?”

“Goeoed,” dat zo uitsprekend dat er geen twijfel aan kan bestaan dat het goed gaat. “Ik wou L. [mijn zus]  bellen, daar wilde ik even langs, maar ik krijg steeds geen gehoor.”

“Dat klopt, die ligt in het ziekenhuis,” vertel ik. Nou is het mijn beurt wat verwonderd te zijn. Is hij het vergeten, of zijn wij zussen vergeten het hem te vertellen? “Vanwege haar galblaas immers. Die is verwijderd.”

“Oh, ja. En is ze dan nog niet thuis?”  “Ze mag misschien vanmiddag naar huis.”

“Dan stoffel ik er vanmiddag even naar toe.” “Als ze dan thuis is, he, dat wist ze gisteravond nog niet, maar ze dacht het wel.” Ik denk intussen: is dat wel zo prettig voor mijn zus, net thuisgekomen uit het ziekenhuis en dan mijn vader meteen over de vloer, of bedoelt hij dat hij naar het ziekenhuis gaat?

“Wanneer ze vandaag nog moet blijven en er dan morgen nog is, liggen we misschien morgen bijelkaar,” vertel ik. Zou wel leuk zijn, mijn zus en ik hebben het over die mogelijkheid gehad. Hoewel we verschillende “kwalen” hebben. Maar op de short-stay “ligt alles doorelkaar” .  We grapten dat het ziekenhuis er voor zou zorgen dat dat niet zou gebeuren: ze zouden twee vrouwen uit onze familie niet aan kunnen.

Ik verwacht dat hij verrast reageert op die kans. Maar nee. “Ja, ja, dat is ook zo,” lacht hij, alsof ik iets vertel dat hij al weet en even vergeten was. Ik maak daaruit op dat hij het waarschijnlijk maar half verstaan heeft wat ik zei.

“Nou dat was even wat ik op de zondagmorgen moest bebellen,” eindigt hij. Hij had waarschijnlijk een lijstje in zijn hoofd. Dat kan nu afgevinkt.

Hij hangt op nogmaals belovende dat hij mij morgenavond zal bellen. Ben benieuwd wat hij vanmiddag doet…

Het is ook wat, als je 94 bent en dan het reilen en zeilen van 7 kinderen nog bij moet houden.

 

 

Terug

“We rijden vast verkeerd,” veronderstelt T. een beetje gestresst. Hij kijkt naar de cijfers op de autoklok. Om kwart voor zeven landt het vliegtuig. Dat is het nu. We zijn wel in de buurt: we hebben de borden met “Schiphol” al zien staan, maar de vele bochten in de weg geven het gevoel dat we rondjes rijden. Ik herinner me vaag dat de laatste keer dat ik in een auto zat (meestal ga ik met de trein) naar lands grootste luchthaven, dat ook het geval was. “Nee, dit klopt wel,” stel ik hem gerust. “Hij moet nog zijn koffer halen en dat kost ook tijd, we halen het wel.” Hoop ik. Even later doemen borden op die verwijzen naar de ingang en kort parkeren. Ik zie de grote, hoge reclamezuilen en de witte letters “Amsterdam Airport Schiphol” op het grijsgetinte glas.

We komen in een lange rij bijna stilstaande auto’s terecht die kennelijk hetzelfde willen: even parkeren om iemand op te halen.T. stelt voor dat hij een parkeerplaats zoekt en dat ik dan alvast naar binnen ga.

Het episch centrum van onderweg zijn. De drukte in de hal geeft me een gevoel in een andere, snelle wereld te zijn gekomen, ver weg van stilstaand leven in kantoren en huizen. Ik weet dat ik naar “Arrivals” moet. En dan kom ik tot de ontdekking dat zijn vluchtnummer op een briefje staat dat bij mij thuis ligt. Oei! Maar ik herinner me dat hij in de route van zijn terugvlucht had staan dat hij via Londen zou vliegen. Misschien vluchten uit Londen zoeken op de schermen die hier hangen? Of zou ik dan toch naar Los Angeles moeten kijken? Ik vind Heathrow al snel tussen de namen op het beeld en ja: er staat kwart voor zeven, landing. Kan geen toeval zijn, concludeer ik en haast me naar hal 1.

Er lopen al mensen naar buiten. Is het zo snel gegaan dan met de aankomst? Elke keer openen de panelen zich als in een schouwburg en toont het mensen met bagage aan de groep achter de blauwe balustrade. Koffers op wieltjes in allerlei kleuren, sporttassen, grote handtassen. Hij heeft een backpack, die zie ik niet. Sta ik hier wel goed? Moest het niet toch Los Angeles zijn? Straks komt hij in een andere hal aan en denkt hij dat hij niet opgehaald wordt en stapt in de trein en dan …

Natuurlijk heb ik hem bericht dat wij hem komen ophalen nadat hij zijn vluchtschema had gestuurd. Maar of hij het heeft gelezen? Er kwam geen reactie. Zou wel jammer zijn wanneer we hem missen. De rit hier naar toe ging minder vlot dan we dachten en daardoor zijn we hier wat aan de late kant. En T. is er ook nog niet, die is nog aan het speuren voor een stalplek voor zijn auto.

De aangekomen reizigers zie ik met hun ogen speuren over het wachtende publiek. Ik zie gezichten opklaren. Een brede glimlach bij herkenning. Bagage wordt losgelaten, omhelzingen volgen. Het zijn allemaal onbekenden en het blijft onbekend zodat de moed me een beetje in de schoenen zakt. Het lijkt me opeens onwaarschijnlijk dat mijn zoon hier zomaar tussen zal lopen. Alsof ik bij de verkeerde groep sta, namelijk de groep “vreemden vanaf een andere bestemming dan die van hem”. Mijn gedachten dwalen af naar de aarzeling wat nu te doen. Terug naar de centrale ruimte?

En dan nemen mijn ogen vertrouwde gelaatstrekken waar. Rechte neus, donkere ogen, zware wenkbrauwen. Backpack op de rug tot iets boven zijn nek. Mijn ogen weten het eerder dan mijn hersens. En nog bijna voordat ik in mijn gedachten kan bevestigen dat het mijn zoon is die het podium betreedt, lach ik al naar hem. Met vochtige ogen. Die ontroering valt helemaal samen met de herkenning. Hij lacht terug. Het is alsof er niets tussen dat moment zit en het moment dat we elkaar omarmen. Hij moet naar me toe gelopen zijn, maar die beweging lijkt er niet te zijn geweest. Mijn brein heeft inmiddels de bewustwording geaccepteerd dat hier mijn kind staat. Terug. Heelhuids. Uit Amerika. Een lange reis gemaakt, een maand weggeweest. In maart van dat jaar nog ernstig ziek. Toen hadden we niet kunnen voorspellen dat we hem het eind van het jaar van Schiphol zouden ophalen. Ik voel een sentimentele stemming de lift van mijn buik naar boven gaan, die mijn gezichtsuitdrukking over wil nemen. Nee, niet doen, misschien vindt hij dat wat TE van zijn moeder. Ik maan de tranen aan om zich rustig te houden: “later, jullie”.

Het helpt om even iets nuchters te zeggen: “Papa kon zijn auto niet direct kwijt bij de ingang en komt zo,” vertel ik. Op het moment dat ik het zeg, komt hij er aan lopen.

“Nog even ergens zitten voor we teruggaan?” We lopen richting horecaterrassen. Mijn zoon doet zijn enorme rugtas af en pakt een stoel. “Ik heb wel zin in een broodje beenham. Kon ik daar niet krijgen.”

weerloos

Wanneer ik mijn fiets op slot zet, hoor ik een geluid dat van binnen meteen een alertseintje oproept, nog voordat ik het kan plaatsen. Zoals de geur van brand of een knal van een ontploffing dat zou doen: iets is niet okay, zegt mijn inwendige alarm, gevaar!

Het is een kind dat huilt. Maar niet op een manier van “ikkrijgmijnzinniet”. Het is geen dreinigere dreun, het is angst dat doorklinkt in zijn verdriet. Angst en psychische pijn om iets wat er kennelijk in zijn zicht gebeurt. Ik kijk in de richting waar mijn oren mij sturen. Vijftig meter bij mij vandaan. De half overdekte gang van het winkelcentrum. Ik zie een boodschappentas, met de kleur en het merk van de supermarkt waar ik naar toe wil, door de lucht vliegen. Hij belandt op de grond en ik verwacht over de grond rollende boodschappen, maar het valt mee. De inhoud blijft in de tas. Huh, zwevende tassen? Weer registreer ik eerder, nu met mijn ogen, dan dat ik de situatie kan duiden. Er staan een paar mensen in een slordige kring.

En dan zie ik het. Een arm die woest en driftig naar een gezicht zwaait. Een hand slaat. Ik verwacht twee mannen maar moet dat beeld meteen omzetten. Het zijn twee vrouwen. De agressie die als een gifwolk tussen de vrouwen hangt is zelfs bij mij voelbaar. Ik voel een blinde haat die nietsontziend kan verwoesten en dat beangstigt me. Het maakt dat ik blijf staan in plaats van door te lopen om mijn boodschappen te gaan doen. Rationeel weet ik dat ik niet bang hoef te zijn: de woede is niet op mij gericht. Maar hoe moet dat voelen voor het kleine jongetje dat vlak bij de vrouwen staat te huilen? Is het zijn moeder die aanvalt of is het de andere vrouw? Die vrouw laat zich niet zomaar slaan en de klap die ze teruggeeft is ook raak. Ze schreeuwen scheldwoorden naar elkaar. Maar daar bovenuit klinkt het traumatische gejammer van het jongetje dat mij bodemloos diep raakt. De weerloosheid van de lange, klagende klanken.

Een man in een witte jas van een winkel komt naar buiten en gaat tussen de vrouwen staan. Een andere man houdt een vrouw vast. Beiden hebben grote moeite om de vrouwen rustig te houden. Langs hun ruggen bewegen nog steeds driftige vuisten die pogingen doen de ander te raken. Een vrouw neemt het niet stil te krijgen jongetje op de arm. “Kijk nou toch eens naar het kind!” Zoiets roept ze, ik versta het niet helemaal. 

Dat je geweld gebruikt om je gevoelens te uiten waardeer ik al niet bijzonder. Maar dat je dat dan doet in bijzijn van een klein mensje dat volledig afhankelijk van je is,  die geweld ziet bij de persoon waar zijn wereldje van veiligheid helemaal omheen is gebouwd, dat is erg.

Ik heb nog tranen in mijn ogen als ik in de supermarkt ben.

Vind ik niet meer leuk

- Stopwoordje “helemaal” in “helemaal leuk” en “helemaal goed” : je geeft daarmee aan dat als je iets leuk of goed vindt zonder dat woord ervoor het kennelijk maar een beetje of half leuk/goed is; 

- Johan Derksen die ons wil bewegen om over te stappen naar een andere energiemaatschappij: hij doet alsof het gaat om het feit dat wij nooit zo actief zijn om over te stappen (slapers), maar we moeten dan wel overstappen naar die mij. waar hij reclame voor maakt;

- Bij een lang woord dat je gebruikt eraan toevoegen dat het een mooi scrabblewoord is: ten eerste heb je nooit al die letters toevallig in 1 keer van zo’n woord en ten tweede past dat vaak niet eens op het bord;

- Een vervelende of ernstige situatie omschrijven als “Het was alsof ik een slechte B-film terecht was gekomen”. Lijkt me sterk dat je daar dan wel eens in gespeeld hebt zodat je weet hoe dat is.  En als een slechte B-film dan wel de situatie weergeeft waar je in zit, dan is het nog niet zo’n slechte film, in elk geval wel realistisch;

- De schorre mensen van de Simpelreclame: alleen de eerste keer leuk, daarna te vervelend om aan te horen, zo erg dat je denkt: een belabonnement waarbij je zoveel belt dat je schor wordt neem ik dan maar liever niet;

- Het woordje “hard” in de combinatie van “werken” of met iets bezigs zijn: politici menen dit te pas en te onpas te moeten gebruiken om aan te geven dat ze niet lui zijn…?

- Het geruzie in het Ajax-bestuur waarvan wij kennelijk via de media elk detail willen weten;

Ik hoor graag wat lezers “niet meer leuk” vinden!

Digna’s dagen, 29

“Wat vreemd,” reageert Anton. Hij draait de kaart om en kijkt naar de tekst op de achterkant, wat hij ook al eerder heeft gedaan. Ze zitten op de bank in Digna’s woning. Digna heeft hem de mysterieuze kaart laten zien.

“Het is natuurlijk maar een kaart. Maar toch… Als je bedenkt dat iemand de moeite heeft genomen om hem te uit te zoeken, te kopen, naar jouw huis te gaan om hem in de brievenbus te doen… Als Jan dat niet gedaan heeft, wie doet dan zoiets en waarom?”

“Geen idee. Misschien moet ik er ook niet teveel over nadenken.” Digna pakt de kaart van Anton aan en legt hem op een plank in haar boekenkast. “Koffie?”

“Ja, lekker.”

“Is je ex-man misschien opeens jaloers?” Anton is nog wel met de kaart bezig, constateert Digna terwijl ze koffie inschenkt.

“Meindert? Nee. Dat is al zo lang geleden. Die is nu al jaren weer hertrouwd. Ik ken hem ook niet als een jaloerse man. En dan helemaal niet als iemand die dan dat soort dingen zou doen als anoniem kaartjes versturen. Ach, iemand die het misschien grappig vindt wat verwarring te zaaien. Het kan een kwajongensstreek zijn van een buurjongetje of zo. ”

Daarmee is het onderwerp afgedaan. Ze wisselen wat nieuwtjes uit. Digna vertelt over de nieuwe liefde van haar dochter. “Ze komen volgende week woensdag langs. Even eten bij mams. Ik ben benieuwd!”

“Spannend.” Anton spreekt het woord heel snel uit waardoor Digna opeens het gevoel krijgt dat hij iets wil zeggen. Dat gevoel blijkt terecht want er valt een geladen stilte. “Over nieuwe liefdes gesproken… ”. Anton aarzelt. Zijn blik lijkt een beetje op die van Bente vroeger, vlak voordat ze vertelde dat ze een 4 op wiskunde had.

Eindelijk!

Het lijkt er op dat ik eindelijk weer kan bloggen. Nu hoop ik dat de lezers weer terug komen!

Tot gauw.

Disclaimer | Privacy & Cookie | Copyright notice | Voorwaarden | Melding maken

©2003 - 2012 Weblog.nl is onderdeel van Sanoma Media Netherlands groep.