Hij ziet er teneergeslagen en moe uit en zegt weinig als hij binnenkomt. (Ik hoor later dat het loopje van de ziekenhuiskamer naar de parkeerplaats hem al moeite heeft gekost). Hij heeft zijn mondkapje om omdat ik zei dat ik bezoek zou hebben. Bezoek dat ik inmiddels ingelicht heb en niet schrikt. Zijn vader brengt zijn tassen naar boven, naar zijn slaapkamer. Hij gaat zitten op de bank en meteen gaat de voordeurbel. De GGD. De vrouw, type grijsharige maatschappelijk-werkster-oude-stijl gaat tegenover J. zitten en pakt formulieren. Ze begint te overleggen over de voorraad medicijnen met hem. Ik laat mijn bezoek uit.
"Hoe lang blijft hij hier?" Nu een vraag aan mij. Het is precies een week nadat J. opgenomen is in het ziekenhuis met de acute symptomen die later tbc-verschijnselen bleken te zijn. Hij is ontslagen omdat hij geen bloed meer ophoest. Hij moet redelijk geisoleerd verder thuis uitzieken. Eerste opvang: moeder.
Ik weet dat ze heel graag zien dat hij minstens drie weken bij mij blijft logeren. Want de eerste drie weken buiten het ziekenhuis mag hij nog niet zelf boodschappen doen. Hij mag nergens komen waar veel mensen zijn. Hij mag niet met openbaar vervoer reizen en niet uitgaan. Hij mag zich niet teveel lichamelijk inspannen. Ze zien daarom liever dat hij dan bij iemand is die een beetje voor hem zorgt. Maar ik ben niet meer gewend aan een kind van mij in huis. En hij niet meer aan inwonen bij zijn moeder. En het is anders dan vroeger, hij is immers nu volwassen. Hoe lief ik mijn zoon ook vind, ik vind drie weken wel wat lang. Dus ik aarzel bij het antwoord op de vraag. "Ik ga eerst maar van een week uit. Ik wil het graag even bekijken," zeg ik dan.
Ik vraag haar of ik me speciaal moet beschermen met een tbc-patient in huis, waar ik op moet letten. J. moet altijd in een zakdoek niezen en hoesten en van mij afgewend. De bacterie overleeft niet lang buiten het lichaam. Ik hoef geen mondkapje op. Daar was men in het ziekenhuis wat meer op gebrand omdat daar nu eenmaal strenge regels gelden, maar alleen het niezen en hoesten geeft kans op besmetting. Ik kan verder gewoon met J. omgaan.
Wanneer zijn vader en de GGD-medewerkster vertrokken zijn gaat hij naar boven. Hij wil slapen. Ik maak hem later wakker met een maaltijd op bed. Hij eet het allemaal op en zegt dat het erg lekker is, wat een moederhart altijd goed doet. We kijken even tv en hij gaat er vroeg in.
De volgende avond, wanneer G. en ik thuiskomen van een avondje uit, staat de tv beneden luid aan op iets MTV-achtigs, maar J. is boven. Hij zit achter mijn pc, ook daar klinkt muziek, hij kijkt naar een gedownloade film. Omdat ik verwacht had dat hij al zou slapen en in een stil huis thuis te komen, overrompelt het lawaai me. Toen hij nog thuiswoonde accepteerde ik dat als een vaststaand verschijnsel: jeugd en toebehorend geluid. Nu voel ik me overvallen in eigen huis en loop impulsief gehoorgevend aan de opkomende irritatie de trap op. Ik vraag of het wat zachter kan en merk op dat hij al had moeten slapen in 1 zin.
Hij zet wat beduusd het geluid op zacht en mompelt iets. Beneden gekomen herinnert G. me eraan dat hij erg ziek is. "Hij kiest ook niet voor deze situatie. Misschien vond hij het wel niet leuk alleen thuis, niet in eigen huis, zonder ergens naar toe te kunnen. En jij komt thuis en dan had je misschien ook kunnen zeggen: hallo, wij zijn weer thuis, hoe was je avond? En dan had je iets kunnen zeggen over de muziek." Hij heeft gelijk. Ik ga weer naar boven en praat dan rustiger met J. over zijn avond en wat G. en ik gedaan hebben.
De volgende dag, de zondag, lunchen G., J. en ik gemoedelijk. We maken grapjes. "Heb jij daar nog een lepeltje?" G., vanuit de keuken naar mij, bij de bestekbak. "Jawel, maar die heb ik voor de koffie gebruikt. Doe maar een nieuw." "Tja, dan moet ik naar De Blokker. Die is niet open op zondag." Dat is typische humor die mijn zoon ook wel aanspreekt. "In Amsterdam zijn de winkels op zondag open," reageert hij adrem. "Misschien is het hier wel koopzondag," vul ik aan. De ziekte komt niet ter sprake. Na de lunch gaat G. naar huis en J. gaat wandelen, wat mag, als hij onderweg niet bij mensen blijft staan.
Terug van zijn "lucht-uitje" geeft J. aan dat hij 'eigenlijk ook wel' in eigen huis zijn rust- en isolatietijd zou kunnen uitzitten. We overleggen hoe het dan zou moeten met het boodschappen doen en maken afspraken. Hij heeft nog genoeg in huis, maar zal zijn vader die in dezelfde stad woont als hij, bellen als hij weer een nieuwe voorraad nodig heeft. "Dan moet je hem maar bellen of hij je op kan halen binnenkort," raad ik aan. J. laat geen spinnenweb over zijn plan spannen en belt meteen. Dezelfde avond is hij weer naar eigen stek.
En opeens zit ik in een weer-stil-geworden huis. Een week is een weekend geworden.
Boven leeft zijn aanwezigheid nog. Ik zie zijn bed en aan het hoofdeind de dubbele kussens rechtop staan. Op het tafeltje naast het bed ligt een Metro. Ik zie dat hij een puzzel heeft ingevuld. Jeetje… Ik had mijn zoon weer in huis. Hoe vaak komt dat nu voor dat je kind terugkomt om tijdelijk weer bij je te wonen? Een gevoel van gemis komt over me. En dat ik tekort geschoten ben: hij is heftig ziek en ik had hem moeten verzorgen. Heb ik hem weggejaagd? Waarom vond ik drie weken lang en mis ik hem dan nu?
Maar mijn zoon en ik zijn individuen op zich. We kunnen heel goed met elkaar opschieten maar willen niet opelkaars lip zitten. Later blijkt dat hij het snel weer fijn vindt zijn eigen gang op eigen honk te kunnen gaan, ondanks de isolatie. Mijn mixed feelings van heimwee en spijt blijven nog wel een paar dagen hangen.